Hoofdstuk 7

DutchEnglishFrenchGermanGreekItalianPortugueseSpanish

Hoofdstuk 7

Pieter. 31. 

HOE DE VRAGER MOED WORDT INGESPROKEN OM IN DE STADT TE KOMEN EN TEN UITERST BEWOGEN WORDT, DOOR HET LIJDEN 
EN PASSIE ONS HEEREN, TOT BEROUW TE KOMEN. 

O mijn vriend Jan, dat lijden. Dat lijden werdt zo van mij geschroomd. Dat enge poortje daar gij mij van zeide door te dringen eer men daar in is, dat benauwd mij. Maar ik voel het moet geweld [een offer] kosten, over zichzelf. Wat raad gij mij, ik moet daar aan, wil ik zalig [gered] zijn? (59)

Jan.

O Pieter, mijn Vriend. Hebt gij noch geen moed? Ik heb u immers getoond, die grote hulp. Houdt toch op van klagen. Gaat maar haastig voort, want uw Koning zal u wel haast ontmoeten. Kon gij het maar geloven. Gij zoudt Zijn heerlijkheid zien, zo zegt Hij zelf. Maar Pieter om u nog wat meer moed te ontsteken, zo moet ik nog tonen een bewegende oorzaak. Kunt gij die vatten [begrijpen], en geloven, die zal u wel snel door het poortje dringen: hoort toe. Den Bouwman van deze Stadt, gelijk ik al in het eerste gezegd heb, werd uit liefde arm, om de burgers van deze Stadt rijk te maken. En daarbij heeft Hij Hemzelf zo met geweld gebogen onder het lijden, dat Hij Zich als de grootste misdadiger met aller schande aan de galg des kruis liet hangen. Hij liet Hem kronen met een doornen kroon. En dit alles als een onschuldig Lam, omdat Hij ons achterstal zou betalen. En door Zijn smaad, ons van de eeuwige smaad en schande vrij te maken, ons de kroon des levens en de eer deze eeuwig op te zetten. En door Zijn bloedverwig [door bloed gekleurd] lichaam, ons sneeuw wit te wassen van al onze zonden. En door Zijn bittere dood, ons dat eeuwige leven te gewinnen. Dit heeft Hij al gedaan om ons Zijn grote onbegrijpelijke liefde te tonen. Kan u dit dat hart niet om keren, en met een weder-liefde doen zeggen; "Heer wat wilt Gij dat ik doen zal ! Zo moet gij lui en zeer traag zijn, en weinig passen op de liefde Gods. (60)

Pieter. 32. 

WAT ECHT BEROUW EN BOETE IS, EN WIE DOOR DE KONING GEROEPEN EN ONTFERMD WORDEN.

Ik beken van harte het is allemaal mijn schuld. Mijn schuld is zo groot dat ik ze niet kan uit spreken. Hoe ben ik zo blind en zo doof geweest? Hoe heb ik zo lang die zoete stem geweigerd? En mijn schulden zo groot gemaakt, dat ik mij schaam daar na te staan, om een burger te worden in Vreden-Stadt? O Jan, mocht ik toch worden haar aller slaaf, die de zwaarste arbeid was op-gelegd. Hoe vlijtig zou ik daar heen draven! O mijn vriend, geeft mij goeden raad, of ik een deurwachter mocht zijn in het huis des Heeren? (61)

Jan. 

Ja Pieter, mijn vriend. Ik weet zelf niet of ik dat waardig ben die minste slaaf te zijn. Maar nochtans moet ik u als mijn zelf goeden raad geven. Want omdat ik zo veel vertelt heb van deze schone Stadt, is niet uit roem, recht of ik al zulk een waardige burger was. Want het is allemaal uit genade geschied wat wij zijn. Daarom doe ik dit ook uit liefde van u, of wij tezamen waardige burgers uit genaden bevonden mochten worden. Deze Koning heeft niemand liever in Zijn Stadt, dan die haar zelf geheel onwaardig houden, en haar zeer verootmoedigen onder Zijne machtige hand. Die wil Hij te Zijner tijd verheffen. Ja al degenen, die haar harten breken van rouw over hare zonden, en die alzo verslagen zijn dat zij geheel als gewonde, door het gedenken van Gods rechtvaardigheid, en die door deze bekende noden schreien [huilen], wenen, en om vergiffenis bidden. Die haar zonden zo drukken, dat ze als een zware last te zwaar zijn geworden, dat haar vlees verteert, al degenen arm-geestige, benauwde, beladen harten, roept die Koning zeer vriendelijk; “Komt alle tot mij die belast en beladen zijt, Ik wil u ontladen.” (62)

Pieter. 33.   

VAN ’T GOED VERTROUWEN OP GODS GENADE.

dat is een woord dat mij moed geeft. Dat die Koning zo vriendelijk en mild is in het roepen, en zo overvloedig in het meedelen. Maar dat is het met mij. Ik durf nauwelijks mij voor Hem te vertonen. maar waar wil ik heen? Ik moet daar heen, en kruipen aan Zijn gezegende voeten, en schreien aldaar met Maria, ik moet roepen met een weemoedig hart, totdat Hij mij verhoort, en mij, arm schuldenaar, al mijn schulden kwijtscheld en uit doe: Het is waar zij zijn zo groot dat ik ze niet kan uitspreken. En derhalve ben ik wel waardig dat Hij mij geheel af-slaat. Maar daar tegen heb ik dat vertrouwen in mij ontvangen uit Zijn mildheid, dat Hij door zijn barmhartigheid, die toch boven al Zijn werken zijn, mij al mijn zonden zal vergeven en kwijtschelden. (63)

Jan.

Ja mijn vriend. Laat ons moed houden en in Zijn beloften geloven en aan-merken het waardige offer van dat onschuldig Lam. En dat uitgestorte bloed, dat vergoten is tot vergiffenissen onzer zonden. Niet alleen voor onze, maar voor de gehele wereld in zonden. Als ze haar bekeren. (64)

Pieter. 34. 

VAN DIE HEILGE VERORDENINGEN, ALS DE DOOP DAAR IN VOLGEN HET BEVEL DES HEEREN.

Hoe waardig is mij u goed onderwijs, lieve Jan. Ik dank daar de Heer mijnen God, de mij uit genaden u heeft toegevoegd als een middel om de weg te wijzen naar Vreden-Stadt. Maar mijn goede vriend, nog verlang ik naar meer te horen. Zegt mij ook van haar regelingen, als doop en nachtmaal. Gebruiken zij het zelf niet? Zegt toch op wat wijze en manier doen zij dat? (65)

Jan.

Deze oprechte, getrouwe en gehoorzame burgers in Vreden-Stadt, die durven  geen andere regeling te stellen of in te voeren dan haar Koning haar heeft gegeven. Want Zijn wijsheid achten zij zo groot, dat zij het voor vermetelheid zouden achten [vinden], zo zij die veranderden, of daar bij voegden naar haar eigen goeddenken. Haar Meester heeft haar zelf ook als een voorbeeld voorgegaan, toen hij in de Jordaan Hem van Johannes liet dopen.  En daarbij opdat wij zouden weten dat het den Vader zo aangenaam was, riep HIJ ook van de Hemel af; "Dit is MIJN beminde Zoon, hoort naar hem." En deze onze Zalig-maker heeft daar na uitgezonden zijn Apostelen, hun bevelende eerst dat volk te leren, daarna als zij de Leer van het evangelie geloofden, dat zij zulke zouden dopen in den naam des Vaders, des Zoons, en des Heiligen Geest. En zo hebben het die Apostelen na die regel gedaan en doorgegeven. (66)

Pieter. 35.  

VAN DIE HEILGHE VERORDENINGEN, 

ALS DE DOOP IN NAVOLGING HET BEVEL DES HEEREN.

Dopen zij dan geen jonge onmondige kinderen? Ik kan wel verstaan dat men die niet kan leren, derhalve kunnen zij ook niet geloven. Nochtans, het is een oud gebruik?

Jan.

Het is wel waar, het is vele jaren in gebruik geweest. Maar zo zij zulken bevel in Vreden-Stadt niet ontvangen hebben, zo durven zij dat niet te doen. Want zij willen haar Heer in alles getrouw zijn, dat zij zulken wijzen Wet-gever, zijn Wetten zouden veranderen of bijvoegen. Want men niet een woord in de gehele heilige Schrift vind, of voorbeeld van de kinderdoop. Hoe zouden dan deze, ootmoedige onderdanen het zelf verstaan te doen (hoewel zij die zelfde die dat doen, daarom niet verachten, naar de geboden van God) maar in haar zou meer stoutigheid dan onnozelheid zijn. Haar Koning heeft haar gehoorzaamheid geleerd. En daarbij dat zij tot Zijnen woorden niet af of toe zouden zetten. Daarom houden ze dat voor het zekerste, haar Heeren geboden niet te veranderen. Zij hebben dat ook wel verstaan van de oude leraars van Vreden-Stadt. Als een zeide; "weet gij niet dat wij alle die daar gedoopt zijn, in Christus doodt gedoopt zijn? Zo zijn wij dan tezamen met hem begraven door dat doopsel in de dood, op dat gelijk als Christus verwekt is door de heerlijkheid des Vaders, wij ook alzo in een nieuw wezen des levens zouden wandelen, zo is dat doopsel een tastbaar water, welk betekent ons de afwassing van zonden, welk geschiedt waarlijk als wij alzo Christus aan doen. En in dat bad der weder-geboorte vernieuwt worden door de Heilige Geest, van welk doop ook Johannes voorzei, zeggende: “Ik doop u met water, maar daar is één onder u, die gij niet kent, Die zal u met de Heilige Geest, en met vuur dopen." En dat is dat ambt des Koning van Vreden-Stadt. (67)

Pieter. 36. 

OVER HET AVONDMAAL OFWEL HET NACHTMAAL.   

Welzalig is de mens, die zo tot dat teken gaan. Ook daarna het wezen des tekens waarlijk ontvangt, waar toe ik mij van hart gedrongen vind mij te bereiden met een volkomen voornemen mij met dezen Koning in Vreden-Stadt te verenigen met die gemeente. Maar van het Nachtmaal heb ik gevraagd, doet mij daar af ook goed bericht? (68)

Jan. 

Ook gebruiken zij het zelfde na haar geweten zo het haar Koning ingesteld heeft met Brood en Wijn, dat welk zij gebruiken tot gedachtenis van haren Heer.  En zo menigmaal als zij deze maaltijd gebruiken, verkondigen zij de dood, en dat lijden van haar Meester. En zo betonen zij met deze regeling na het bevel des Heeren, gemeenschap te hebben aan dat lichaam Christus, en die vergiffenis der zonden door Zijn bloed. En gelijk zij dat brood eten met den letterlijke mond, zo geloven zij dat zij waarlijk deelachtig worden aan het nuttigen van het gebroken lichaam des Heeren, die daar is het spijs der ziel. daar die oprechte burgers van Vreden-Stadt, haar vreedzame leven bij behouden, gelijk haar Koning zeide tot haar; "tenzij dat gij eet dat vlees des Mensen Zonen, en drinkt zijn bloed, zo hebt gij geen leven in u.”  

En wijders [verder] zei Hij; "wie mijn vlees eet, en drinkt mijn bloed, die heeft dat eeuwige leven.” En nog dieper spreekt de Heer; "wie Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt, die blijft in mij, en Ik in hem.” Zo is Christus dat waarachtige Hemelse Brood, door welken alle gelovigen leven. En dit is dat Sacrament, dat men geestelijk moet verstaan, en niet met vleselijke zinnen begrepen wordt. Dat vlees zegt de Heer, is niemand tot nut, maar die woorden die Ik spreek, zijn geest en leven: Zo geloven deze van, gelijk zij te samen genieten en ontvangen Brood en Wijn naar Zijn regeling dat zij door het geloven met den mond des geest genieten alle die verdiensten, nuttigheden, die Christus door Zijn dood en uitstorting Zijner bloed heeft verworven, en Zijn wil deelachtig maken. En dit is een Heilige Maaltijd die de Christus’ Broeders, die rechte Broeders zijn, met grote eendracht houden, En zijn alzo als een lichaam deelachtig één brood, waardoor zij gesterkt worden om vast te houden aan de eenheid in den geest, door den band des vredes. Maar die het onwaardig eten en drinken, doen haar zelf dat oordeel. (69)

Pieter. 37. 

VAN DE BROEDERLIJKE TERECHTWIJZING EN DE AFZONDERING. 

Wel zalig is degene, die als ware dis-genoten aan de Heeren Zijn tafel mogen gaan, en die niet alleen genieten van letterlijke spijzen, als brood en wijn, maar dat Jezus zelf met haar Avondmaal houdt in hun, en haar geeft te bevinden de gratie des Heeren. Dat zij in der waarheid met hem één zijn, gelijk Hij één is met Zijn Vader. Dat welke ik nu versta dat deze twee Sacramenten, als Doop en Avondmaal, ons betekenen en aanwijzen. Maar Jan, nog moet ik verder vragen van de broederlijke straf in Vreden-Stadt. Wordt die ook bij haar gebruikt? (70)

Jan.

Ik zal daar ook wat van zeggen naar mijn geweten. Ten eersten, zo is het nodig,  als een lid ongezond, of gewond is, dat men het zelf waarneemt dat het niet verderft, of tot verrotting komt. Tot verzwakking van het lichaam, maar zo lang als die burgers alle goede vruchtbare ranken zijn, en bekwame nutte leden aan het lichaam Christus, en haar laten regeren van haar enigen Hoofd, zo valt onder dezen geen straf. Want ze is daar niet van node.  Maar zo dit getal zeer klein is die haar klederen niet en besmetten, en dat deze vreedzame doch aller-kleinste bij haar zelf zijn, zo wonen ook neffens haar zulken die wat zwak zijn. En nog niet zijn tot die volkomen ouderdom in Christus gekomen, en hebben toch een volkomen mening[wens], haar altijd beter te bereiden. 

Met deze is het goed huis te houden in Vreden-Stadt. Want zij geheel arm van geest zijn, en ootmoedig, en haar falen vlijtig bekennen, als men ze straft en onderwijst, dat is haar als kostelijke zalf,  en zijn dankbaar, die haar onderwijzen. Maar nu zijn er nog anderen die daar zijn, maar zij zijn door het enge poortje niet ingegaan, maar alleen in schijn, anders binnengekomen voor de mensen, maar niet in de ware gemeente die Gods oog alleen kent. En dusdanige gebrekkige [nalatige] zondaars, mag men straks niet uitwerpen, want die burgers  weten niet wat er in het hart verborgen ligt. Dat weet God alleen. Daarom heeft haar Koning haar de Wet gegeven, zondigt u broeder, straft hem tussen u en hem alleen. Hoort hij u, zo hebt gij hem gewonnen. Maar hoort hij het niet, zo neemt nog één of twee tot u. Hoort hij die niet, zegt die gemeente. Hoort hij die gemeente niet, zo houd hem als een heiden en openbaar zondaar. 

Ziet zo is die Christelijke straf een proef, die lankmoedig gebruikt wordt tot des zondaars betering. Maar als die betering achter blijft, zo is hij waardig van alle  vergaderingen uit geworpen te worden. Maar eer dat zulks tot het uiterste komt, zo moeten zij als met zachtmoedigheid straffen en onderwijzen, uit grote liefde, als die haar zelf eerst bezien, wie haar gezocht, en uit liefde met Zijn bloed gekocht heeft, dat zij dien haar Meesters lankmoedigheid zoeken na te volgen.  En zo dat dodelijk gewonde zoeken te genezen, of zij den dolende broeder mag verwekken weder te keren van den dood, tot het leven. Want het valt die getrouwe lief hebbers van Vreden-Stadt zo zwaar, dat er een uit gaat tot de verdoemenis, dat twee getrouwe herders uit ijverige liefde sprak; "om die on-bekeerlijkheid [niet tot bekering bereidt zijnde] des volk, den enen, schrabt mij liever uit UW boek," en de ander; “ik heb gewenst verbannen te zijn, voor mijn broeder," etc. En hoe die broeder getrouw zijn, hoe zij nimmer iemand verwerpen, maar als zij met al haar tranen, bidden en smeken die mensen niet mogen keren, zo moeten zij doen, dat zij node doen. En moeten noodzakelijk bekennen, dat die al zulke zijn, die haar zelf veroordelen, en afdelen tot haar eigen schade en jammer. En deze zijn dan buiten die stad des vredes gesloten. Gelijk Paulus zei; "doet den kwaden weg van u," en met dezen houden zij geen gemeenschap. (71)

Pieter. 38. 

OORDEEL KOMT ALLEEN GOD TOE.

Het is te beklagen, dat de arme mensen haar zelf zo wegwerpen en verlaten den rechte weg, tot haar eigen verdoemenis, en die Goddelijke zorgzame mede-broeders versmaden. En nog wat meer is, dat bloed des Testament, dat tot haar heilig-making is uitgestort, onrein achten. De Heer bewaren ons voor al zulke schande. Maar nog moet ik al verder vragen. Ik hoor dat sommige als deze straf al geschied is, nog die arme verdwaalde mensen zo schuwen en mijden, dat ze haar geen brood verkopen, of haar niet tot knechten of dienstmeid willen behouden. Wat meer is, dat de vrouw haar man verlaat, en de man zijn afvallige vrouw. Is dit ook de regeling in Vredes-Stadt? En voorts nog een vraag, welke mij dikmaals drukt. Terwijl gij mij die regeling van Vredes-Stadt’s burgers verteld hebt, als Doop, Avondmaal en broederlijke straf, of wat die kenmerken zijn, daar men ze aan moet herkennen, want daar zijn zo veel gemeenten die ook Dopen en Nachtmaal houden. Zijn deze dan verloren die haar bij deze gemeenten houden? Dat is een zware zaak. Ontsluit mij deze twee vragen? (72)

Jan.

O mijn vriend, dat oordeel komt alleen God toe. Maar ik moet dat algemene gevoelen van Vreden-Stadt burgers, na mijn geweten vertellen. Deze burgers zijn zo veel van God geleerd, alhoewel zij die uitwendige regelingen in grote waarde houden, dat ze evenwel die zaligheid binden. Bijzonder aan die liefde daar ze haren Koning zelf aan heeft gebonden, en tot een merkteken gesteld heeft. En zegt ook; "dat de gehele Wet en de profeten daar aan hangt aan God lief te hebben met geheel het hart, zinnen en krachten, en zijn naasten als hem zelf lief te hebben.” En dit zelf bevestigt een van haar leraars, zeggende, "dat de Doof-stomme al der gebeden, de liefde is uit reinen harten,” en nog op een ander plaats, "dat den vasten grond Gods altijd staande blijft, en heeft deze zegel, God kent de Zijne, en allen die den name des Heer aanroepen, die wijkt van den kwaden." 

Derhalve word beleden onder deze vreedzame burgers, die altijd door een goed gevoelen een ander boven haar zelf stellen, dat de schapen Christus, en Gods kinderen hier verstrooit zijn, en dat door die dolende, of klein-verstand [bekrompen] leraren, die om kleine zaken, die zij heftig opdrijven, terstond scheuren en delen. En dat door zulke kwade regeerders, als brekers van de vrede, die onnozelen schapen onder verscheiden volken schuilen. Maar voor Gods ogen zijn ze allen bekent. Gelijk God tot Elia sprak, als Elia meende dat hij alleen was overgebleven; "Ik heb nog zeven duizend behouden, die haar knieën niet voor  Baäl  gebogen hebben.” Zo dat God allen kent, van den kleinsten tot den grootsten, die zal ze hier, of hiernamaals weder bijeen verzamelen, in die eeuwige Schaaps-kooi, wanneer Hij komen zal op Zijnen Rechter-stoel, om een ieder na zijn werken te lonen. En zal de kwade mensen haar straf na zijnen rechtvaardige oordeel geven. 

Maar die onnozele Schapen die altijd de vrede gezocht hebben, dat eeuwige leven geven. Zo is dan mijn inzien in de zake, dat ze niet allen verloren zullen gaan die wel onder ander volken verstrooid zijn. Als zij maar de principaal [belangrijkste] hoofd-stukken goed bewaren. Dat is een waarachtig geloof in God, met een onwankelbaar vertrouwen in Zijn beloften door Zijnen zoon gedaan. Daarbij een sterke liefde en begeerte tot den Heer. Een ongeveinsde liefde tot haar naasten, en tot alle mensen ofschoon deze vijandelijk tegen haar zijn. Die zich zo ootmoedig gedragen na alle haar geweten onder Gods’ gehoorzaamheid, al zulke houden wij voor burgers in Vreden-Stad: En dit goed vertrouwen hebben deze burgers door de goede geest ontvangen, terwijl zij altijd haar mede mensen met een barmhartig oog aanzien, en deze les staat zo vast in haar hart geschreven; "oordeelt niet zo wordt gij niet veroordeeld, noch verdoemt niet zo en wordt gij niet verdoemt." 

Dit is haar Konings waarschuwing.  Want Hij zegt daar nog bij; "met de mate daar gij mee meet, zal men u weder in meten". Ik houd vast gij kunt nu wel verstaan, dat het beter is een goed  gevoelen te hebben van zijn naaste als een kwade,  vooral als men ziet dat de mensen een Godvruchtig leven leiden, en drukken uit dat ze vreedzaam en goedertieren zijn. En die liefde aan alle kanten bewijzen, het welk ik bewezen heb t’het merkteken te zijn van de rechte Christenen, en dus danig wachten haar voor kwade oordelen. (73)

__________

(59) Fil.4:10   Matt.19:22   Matt.7   Luk.13:22   Matt.11:12
(60) Luk.15:20   Joh.11:40   Luk.11   Luk.23   Matt.27   Joh.18,19   Mark.15   1.Pet.1:18   Jes.53:7   Ps.69:10  Rom.15:3   Opb.2:10  
       1.Joh.1:9   Opb.1:5   Joh.3:14   1.Joh.4:10
(61) 2.Sam.12:13   Jes.6:5   Luk.15:19   Ps.48:11
(62) 1.Kor.15:9   Ef.2:7   Rom.4   1.Kor.15:10   Matt.8:8   Luk.15:19   1.Pet.5:6   Ps.51:19   Jes.66:2   Ps.38:6   Ps.6:7    Ps.103:3  
       Matt.5:3   Matt.11:28
(63) Ps.116   Ps.118:1   Luk.18:13   Luk.7:38   Matt.18:24   Ps.40:13   Luk.15:21   Ps.146:8   Ps.145:9   Ps.103:3 
(64) Ps.50:15   Hebr.9:12   1.Pet.1:19   1.Joh.16:9   1.Joh.2:2
(65) 2.Kor.5:20   1.Kor.11:18-34 
(66) 1.Sam.15:23   Matt.3:13   Luk.3:22   Mark.9:7   Luk.9:35]   Matt.28:19   Mark.16:15   Hand.2:38    Hand.8:36
(67) 1.Sam.15:22   Deut.4:2   Deut.12:32   Spr.30:6   Opb.22:18   Rom.5:3   Kol.2:12   Hand.22:16   Gal.3:27   Tit.3:5   Matt.3:11  
       Joh.1:26   Luk.3:16
(68) Hebr. 10:22
(69) Luk.22:19   1.Kor.11:24   Joh.6:53   Joh.6:63   Kol.1:14,19   Ef.1:7   1.Kor.11:22   1.Kor.10:17   Ef.4:3   1Kor.11:28
(70) Opb.3:20   Joh.17:21
(71) Joh.15:28   Ef.1:22   Opb.3:4   Luc.9:48   Ef.4:13   Matt.5:3   Ps.14:5   Sir.17:10   Ps.7:10   Matt.18:15   2.Tim.2:25   1.Tim.1:20  
       Gal.3:13   Opb.5:9   Opb.1:5   Luc.19:10   Luk.10:34   Jak.5:19   Ex.32:32   2.Kor.12:21,13:2   Tit.3:21   1.Kor.5:8
(72) 1.Pet.2:25   Hebr.10:29
(73) Joh.13:25   Matt.22:26   Matt.12:31   2.Tim.1:5   2.Tim.2:19   Fil.2:3   3.Reg.10:10   Rom.11:4   Hebr.8:11   Jer.31:33   Joh.10:16  
       2.Kor.5:10   Rom.14:10   Matt.25:3   Rom.2:13,15   Hebr.11:2   Rom.12:10   Rom.13:8   1.Pet.1:7   Matt.5:44   Matt.7:1  
       Luk.6:37   Rom.2:1   Hand.10:35

© OTR 2023