Hoofdstuk 11

DutchEnglishFrenchGermanGreekItalianPortugueseSpanish

Hoofdstuk 11 - Wat schreven de eerste christenen.

De meeste joodse-christenen en zeker de christenen van andere komaf, waren niet meer op de hoogte van de sociale en historische achtergrond, en waarom Jezus deze vraag gesteld kreeg. Hierdoor werd ook Jezus reactie ‘onbegrijpelijk’ vanuit hun culturele context. Ook al heeft Mattheüs nog een poging gedaan door de ‘uitsluitingsclausule’ toe te voegen in zijn Evangelie verslag, om deze context zo onder de aandacht te brengen.

De eerste christenen (25) benaderde de Evangeliën en de rest van het NT over het algemeen op de volgende wijze:

  • Ze verzamelden alle teksten in het NT die over een onderwerp gaan en namen zo letterlijk en serieus mogelijk, voor zover het duidelijk was dat er niet over een illustratie of gelijkenis gesproken werd of er een zegswijze, een uitdrukking werd gebruikt.

Dat is een prima benadering van datgene wat in het NT geschreven is, en hiermee kom je in bijna alle gevallen tot de betekenis of interpretatie zoals het ook hoogstwaarschijnlijk bedoeld was. Helaas was de vraag van de Farizeeën en Jezus’ reactie daarop over echtscheiding hoogstwaarschijnlijk niet als een leerstelling bedoeld, maar zijn reactie zat in de context van een breder debat met meer facetten dan wat er in de Evangelieën is vermeld.

Door alle passages in over echtscheiding letterlijk te nemen, in Mattheüs, Markus, Lukas en 1 Kor. hoofdstuk 7, zonder de sociale, culturele en historische achtergrond te kennen en begrijpen zoals we in de voorgaande hoofdstukken hebben besproken, is het niet moeilijk te zien dat de eerste christenen met hun letterlijke benadering enkele facetten over het hoofd zagen. Omdat ze onwetend waren geworden over wat niet opgeschreven was, maar wat wel de contextuele achtergrond bepaalde, kunnen we ze dit ook niet kwalijk nemen. Dit was ‘context bepalende achtergrond informatie’ die ze niet meer bezaten. 

Daarom kwamen de eerste christenen met hun letterlijke nemen van de Schrift (met de nodige variaties), tot de volgende conclusies:

  1. echtscheiden is niet toegestaan, behalve alleen op grond van ‘porneia’, en
  2. dat het niet toegestaan is om te her-trouwen na een echtscheiding.

Deze interpretatie komt ook sterk naar voren in de meer striktere stromingen binnen het christendom die later opkwamen zoals het Montanisme (26) waar Tertullianus (27) zich in zijn latere jaren bij aansloot. Maar ook daarbuiten vinden we een verscheidenheid aan uitleggingen.

Laten eens enkele van de eerste christenen en hun uitleggingen bekijken en bespreken.

Hermas de Herder. (28)

Een van de vroegste geschriften die we bezitten van de eerste christenen is geschreven in Rome rond 100-150, en is die van Hermas de Herder. In een visioen vraagt Hermas aan een gids weergegeven als de Herder, wat iemand moet doen als een gelovige vrouw overspel pleegt. Hij antwoordt dat de man moet scheiden, anders is hij mede schuldig aan haar zonde. Hermas schrijft:

“En ik zei tegen hem: “Meneer, indien iemand een vrouw heeft die in de Heer vertrouwd en hij betrapt haar bij overspel, zondigt de man als hij bij haar blijft leven?” En hij zei tegen mij: “Zolang als hij onwetend is over haar zonde, pleegt de man geen overtreding in het bij haar blijven. Maar indien de echtgenoot weet dat zijn vrouw afgedwaald is en de vrouw geen berouw heeft, maar volhard in haar ontuchtig gedrag, en de man toch met haar blijft samenwonen, dan is hij ook schuldig aan haar misdaad en deelhebber aan haar overspel.” Hermas (c. 150, W), 2.21  (29)

Hermas vraagt dan of iemand de zonde van overspel niet moet vergeven als er wel berouw is. De Herder antwoordt dat iemand moet vergeven, maar niet herhaaldelijk, omdat Christenen maar een kans op berouw hebben.

“En hij zei tegen mij: “Hij moet de zondaar die berouw heeft terugnemen. Maar niet herhaaldelijk. Want er bestaat voor de dienaren van God maar een keer berouw. Indien nu, de gescheiden vrouw berouw heeft, dan behoort de echtgenoot niet met een ander te trouwen in de tijd dat hij haar weggestuurd heeft. In deze zaak moeten man en vrouw gelijk worden behandeld.”

De herder zegt dat de man niet moet her-trouwen na de echtscheiding, voor het geval de vrouw tot berouw komt. Dit zou kunnen inhouden dat het voor een man normaal gezien wel toegestaan is om te her-trouwen, als berouw tonen niet meer tot de mogelijkheden behoord, omdat de vrouw bijvoorbeeld met een andere man weer samenwoont of getrouwd is. Want als her-trouwen in het geheel niet toegestaan zou zijn, dan zou het overbodig zijn een reden te geven waarom her-trouwen in dit geval niet toegestaan is. 

Maar het is waarschijnlijker dat her-trouwen helemaal verboden was, behalve als een van de partners overleden was, en dat de ‘overbodige reden’ gegeven is hier om het argument ‘kracht’ bij te zetten.

De passage over ‘maar eenmaal berouw kunnen hebben’ gaat als volgt:

“Ik heb gehoord, meneer, dat sommige leraren beweren dat er geen ander berouw bestaat dan welke plaatsvindt wanneer we ons onderdompelen in het water en vergeving ontvangen van onze vroegere zonden.” Hij zei tegen mij: “Dat was een goede leer welke je gehoord hebt; want dat is echt het geval. Want wie vergeving heeft ontvangen van zijn zonden moet niet meer zondigen, maar moet rein leven. . . . En daarom zeg ik u, dat als iemand wordt verleid door de duivel, en hij zondigt na de grote en heilige roeping waarin de Heer Zijn volk heeft opgeroepen tot het eeuwige leven, dan heeft hij maar een keer de gelegenheid om betrouw te tonen. Maar indien hij hierna vaker zondigt, en daarna berouw toont, zo’n berouw zal deze persoon niet baten.”” Hermas (c. 150, W), 2.22. 

Hermas geloofde, net zoals de meeste eerste christenen, dat iemand maar eenmaal berouw kon hebben van een zonde, en dat elke volgende zonde na de waterdoop niet meer te vergeven was. Deze leer baseerden ze op de teksten in Hebr. 6:4-8 en 10:26-31 en was wijdverspreid in deze periode. (30)

De meeste mensen die de interpretatie van de eerste christenen, zoals Hermas, gebruiken als argument voor hun standpunt in onze tijd, verwerpen echter de zienswijze van geen vergeving mogelijk na de waterdoop. Deze manier van argumenteren is niet logisch. De eerste christenen zouden waarschijnlijk beter op de hoogte zijn van de oorspronkelijk betekenis van de Hebreeën brief, die geschreven is aan Joden buiten Jeruzalem in een Romeins-Griekse samenleving, terwijl de Evangeliën vol staan met verwijzingen naar joodse gebruiken en cultuur. Indien iemand zou beweren dat de eerste christenen de sociale en culturele omstandigheden omtrent echtscheiding beter zouden begrijpen als de hedendaagse wetenschappers, dan zou dit toch zeker moeten gelden voor hun uitleg over de tekst in Hebreeën. Echter wordt dit niet geaccepteerd of aanvaard heden ten dage.

Justinus de Martelaar.

Justinus schreeft omstreeks 160, en had een zelfde uitleg als die van Hermas. Hij citeerde een reeks passages van Jezus, en concludeerde dat het een zonde is om te her-trouwen.

Betreffende eerbaarheid, citeerde hij oa. het volgende: “iedereen die naar een vrouw kijkt en haar begeert, heeft in zijn hart al overspel met haar gepleegd.” En: “ieder die zijn vrouw verstoot, drijft haar tot overspel - tenzij er sprake was van een ongeoorloofde verbintenis; en ook wie trouwt met een verstoten vrouw, pleegt overspel.” En concludeerde hieruit:Dus iedereen, die bij de wet tweemaal getrouwd is, zijn in de ogen van onze Heer zondaars, en ook zij die met lust naar een andere vrouw kijken.”
Justin Martyr (ca. 160, E) 1.167

Justinus beschreef ook een voorval waarin de eerste christenen verdeeld waren. Het ging over of een bekeerde vrouw haar ongelovige en overspelige man moest verlaten. Sommigen adviseerden dat ze moest blijven, in de hoop dat misschien hij zich ook zou bekeren. Terwijl anderen zeiden dat zij, door te blijven, deelde in zijn zonden. Uiteindelijk zond zij hem een ‘repidium’, Latijns voor een echtscheidingscertificaat, toen hij op reis was:

Een bepaalde vrouw woonde bij een onstuimige echtgenoot; ook zijzelf was vroeger onmatig geweest. Maar toen ze kennis kreeg van de leer van Christus, werd ze waker, en probeerde haar man te overtuigen om ook gematigd te zijn, verwijzend naar de leer van Christus, en verzekerde hem dat er straf zal worden opgelegd door eeuwig vuur dat wordt gegeven aan degenen die niet gematigd en conform de juiste leer leven. Maar hij, die in dezelfde excessen doorging, vervreemde zijn vrouw van hem door zijn daden. Want zij, die het slecht vond om nog langer als vrouw te leven met een echtgenoot die op alle mogelijke manieren middelen zocht om zich over te geven aan plezier in strijd met de natuurwet, en in strijd met wat juist is, wilde van hem gescheiden worden. En toen ze onder druk werd  gezet door haar vrienden, die haar adviseerden nog steeds met hem door te gaan, in het idee dat haar man op een of andere manier hoop op wijziging zou kunnen geven, deed ze haar eigen gevoel geweld aan en bleef bij hem. Maar toen haar man naar Alexandrië was gegaan, en zich nog slechter ging gedragen dan ooit, gaf zij, omdat ze misschien niet, door in huwelijksverband met hem door te gaan, en door zijn tafel en bed te delen, ook een deelgenoot zou worden in zijn slechtheden en onzuiverheden, hem wat je noemt een echtscheidingscertificaat, en was van hem gescheiden.” Justin Martyr, (ca. 160, E), 1.188

Voor Justinus was niet de echtscheiding, maar de vervolging die hierop uitbrak door de woedende man van belang. Voor ons is de onzekerheid in dit verhaal van belang. (31) Toen zij een christen werd, werd haar geleerd dat ze moest scheiden van haar ongelovige man, ondanks dat anderen haar adviseerden dat ze bij hem moest blijven in de hoop zo hem tot bekering te brengen. Uiteindelijk stuurde zij hem een echtscheidingscertificaat, wat haar het recht zou geven om te her-trouwen, maar helaas lezen we hier niet of de eerste christenen dit dan ook zouden toestaan.

We laten er nog een van de vele eerste christenen, aan het woord. (32)

Athenagoras.

Athenagoras was een Griekse filosoof uit Athene die zich had bekeerd tot het Christendom. Hij schreef in ca. 177 over dat christenen gemeenschap moesten vermijden, behalve voor het krijgen van kinderen, en beweerde dan vele christenen celibaat leefden.

“Een persoon moet blijven zoals hij is geboren, of moet tevreden zijn met één huwelijk; want een tweede huwelijk is slechts een misleidend overspel. “Want wie zijn vrouw wegzet,” zegt Hij, “En trouwt met een ander, pleegt overspel;” en dus staat Hij het niet toe dat een man haar wegstuurt wiens maagdelijkheid hij heeft beëindigd, noch om opnieuw te trouwen. Voor degene die zichzelf zijn eerste vrouw ontneemt, ook al is ze dood, is een verhulde overspelige, die de hand van God weerstaat. Want in het begin maakte God één man en één vrouw, en is het ontbinden van deze vereniging van vlees met vlees, gevormd voor de geslachtsgemeenschap en voortbestaan van de mensheid, niet toegestaan.” Athenagoras, (ca.177, E), 2.147i

Hier lijkt Athenagoras zelfs het opnieuw trouwen (want je kan niet spreken van her-trouwen) te verbieden na de dood van een van de partners. Misschien was deze interpretatie gebaseerd op het concept van het onverbrekelijke “een vlees” huwelijk, maar dit komt hier niet duidelijk uit naar voren, maar duidelijk is dat hij ‘verder’ gaat dan dat de Schrift aangeeft in zijn commentaar.

Concluderend:

Over het algemeen wordt te gemakkelijk beweerd dat de eerste christenen ‘eenstemmig’ spraken in alles betreffende het NT onderwijs. Ze waren zeker relatief gezien verenigd in hun uitleg van de Schrift door het consequent letterlijk en serieus nemen ervan. Maar zij uitten ook twijfels over de problemen bij hun uitleggingen. 

Wanneer men de passages over echtscheiding in het NT leest buiten de context zoals die in de tijd van Jezus bekend was, dan komt het over alsof het NT leert dat echtscheiding alleen toegestaan is na; 

  • porneia’, 
  • bij het verlaten door een niet-gelovige partner, en 
  • dat her-trouwen voordat een van de partners is gestorven, een zonde is. 

De interpretatie of uitleg om ongetrouwd te blijven, wat teruggevonden wordt bij veel van de eerste christenen, maakte dat er ‘minder’ problemen door de letterlijke interpretatie van de teksten in de praktijk plaatsvonden. (33)

Samenvattend:

De eerste christenen waren onwetend geworden betreffende de joodse maatschappelijke en culturele achtergrond achter het debat over echtscheiding, toen de Farizeeën Jezus deze vraag stelden. Met als resultaat dat de eerste christenen bijna universeel waren in hun leringen, en echtscheidingen alleen toestonden op grond van ‘porneia’ en her-trouwen na een echtscheiding niet toestonden. Geleidelijk ontwikkelde zich het idee dat het huwelijk onverbreekbaar is, en de Rooms-Katholieke kerk (die ontstaan is na 325 AD) leert dit nog steeds, al benaderen ze dit maatschappelijk probleem nu op een flexibele en pragmatische wijze.

De reformatie verwierp, wat te verwachten was, de uitleg van de Rooms Katholieke kerk. Zij lieten het her-trouwen toe op gronden van overspel en na het verlaten van de ongelovige partner. 

Ze hadden ook een variatie aan uitleggingen om aan te tonen dat deze echtscheidingen eigenlijk niet een huwelijk verbreken. Zo beweerde Luther dat degenen die overspel pleegden, waarop in oude Bijbelse tijden de doodstraf stond, hierdoor al ‘dood’ zijn geworden voor God, waardoor het huwelijk in de ogen van God al beëindigd was.

In de eeuwen na de reformatie werd het steeds eenvoudiger en geaccepteerder om te scheiden om allerlei gronden en redenen. Hierbij gingen de diverse christelijke stromingen ‘schoorvoetend’ de steeds liberaler wordende samenleving achterna.

(25)  Als we over de eerste christen spreken dan bedoelen we hier zij die leefden tot ca. 325, het eerste concilie van Nicea.
(26)  https://nl.wikipedia.org/wiki/Montanisme
(27)  https://nl.wikipedia.org/wiki/Tertullianus
(28)  De passages van de eerste christenen die we citeren komen uit de 10-delige Ante-Nicene Fathers set - Philip Schaff, ed. Deze set is kosteloos aan te vragen in PDF en Epub formaat door een email te sturen naar: info@plain-living.nl op het internet te lezen op: http://www.ccel.org of via deze pagina op deze website
(29)  ca. 150 - 150 nChr. / W - geschreven in het westen / 2.21 - ANF deel 2 blz 21.
(30)  Deze leer was de reden dat vele Christenen zich pas lieten dopen op hun sterfbed, om zo het risico van het begaan van zonden te voorkomen.
(31)  Zie ANF 1.188-189 voor zijn reactie hierop.
(32)  Voor meer citaten van de eerste christenen, zie: Zie hoofdstuk 9 “Interpretations in church history” uit “Divorce and Remarriage in the Bible” - David Instone-Brewer blz 243- 253.
(33)  Voor verdere informatie over de interpretaties van oa. Luther, Zwingli, de hervormers in Engeland ed. zie blz. 257-266 van bovengenoemde boek.

© OTR 2023